In de inleiding van dit stijlhandboek
werd reeds aangehaald: “...het doel is dat zoveel mogelijk organisaties, instellingen, ... die op een of andere manier verbonden zijn met de Vlaamse Gemeenschapscommissie hun bijdrage leveren in het creëren van een herkenbaar gezicht voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Het spreekt voor zich dat hierbij niet dezelfde huisstijl-inspanning gevraagd kan worden van, bij voorbeeld, een organisatie die een eenmalige kleine subsidie ontvangt van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, als van een een ‘eigen’ onderwijsinstelling of gemeenschapscentrum. De ‘pure’ administratie zal op haar beurt nog een stap verder gaan in het gebruik van de huisstijl.”
Dit stijlhandboek reikt dan ook 4 gradaties aan in het gebruik van de huisstijl. Elke gradatie is verbonden aan een “categorie” van instellingen/organsaties die bepaalde huisstijlrichtlijnen dienen te respecteren. Hierna worden deze 4 categorieën (A,B,C en D) behandeld. Telkens wordt een omschrijving gegeven van het type instelling/organisatie dat –theoretisch – in deze categorie thuishoort.
De huisstijlrichtlijnen binnen elke categorie zijn het resultaat van een evenwichtsoefening waarbij enerzijds de identiteit van de Vlaamse Gemeenschapscommissie om maximale ondersteuning vraagt, en anderzijds voldoende ruimte moet overblijven voor creativiteit en eigenheid van de organisatie die de richtlijnen hanteert. In de evolutie van categorie A naar D zal dan ook opvallen dat enerzijds de identiteit minder prominent naar voor komt, en dat ze anderzijds op minder dragers toegepast wordt.
De richtlijnen voor categorieën B, C en D hebben niet als bedoeling de bestaande identiteit, stijl of logo van de betrokken organisaties/instellingen te verdringen. Het merk is enkel bedoeld als herkenningspunt, waarnaast bestaande identiteitselementen kunnen blijven bestaan.
|